Blog

Het genot van het verboden snoepje

Het is 10.30 uur: koffietijd. Onze zoon (6) vraag om een chocolaatje. Jong als hij is, is hij al een echte choco-addict. Ieder ander kind zou een koekje of snoepje vragen, maar niet onze Mika. Die doet een moord voor chocola.

 

Terwijl wij een koekje nemen, rommelt Mika opvallend lang in de kast. Op mijn vraag wat hij aan het doen is, krijg ik het antwoord ‘een chocolaatje pakken!’. Terwijl hij de kast weer dicht doet, roept hij ‘ik ga naar boven!’ Hmm, dat lang in de kast rommelen viel al op, maar snel naar boven sneaken, is ronduit verdacht. Ik vraag of hij erbij komt zitten. ‘Waarom? Ik ga boven spelen.’ ‘Ah joh, kom er even bij lekker op schoot’. Met een scheve glimlach op zijn gezicht komt hij aansloffen en kruipt op schoot. Dat is toch wel lekker, zelfs als je zes bent. 

Hij peuzelt van zijn chocolaatje en ik vraag wat hij nou in de kast aan het doen was. Ik krijg hetzelfde antwoord. Maar wat was je dan nog meer aan doen? ‘Niks’, antwoordt hij lachend. Mijn moederinstinct en ik geloven er niks van. Voorzichtig voel ik aan de zakken van zijn joggingbroek, die opvallend vierkant uitsteken. En wat is dat dan? ‘Nihiks!’, nog harder lachend. Ik steek mijn hand in zijn zak en haal er twee chocolaatjes uit. ‘Ok, dan, die heb ik gepakt. Ik leg ze wel terug.’ Hij pakt de chocolaatjes en brengt ze naar de kast. Wel sportief; hij weet dat het niet gelukt is en zet het recht. Daarmee is de zaak in zijn ogen afgedaan en kruipt er weer bij alsof er niks aan de hand is.

 

Wat nu te doen? Wat is opvoedkundig verstandig? Ik ben tenslotte kindertherapeut en wil mezelf ook nog weleens opvoedkundige noemen. Boos worden, negeren. Dat laatste in elk geval niet. Dat eerste dan? Opeens krijg ik een beeld voor ogen van mijzelf als klein meisje staand op de tweede plank van de keukenkast op jacht naar de snoeppot. Mijn pogingen zijn onvermoeibaar dus er komt een moment waarop ik hem vind. Een euforisch moment. Zo’n gelukszalig moment waarin het gelukt is slimmer te zijn dan mijn ouders. Ze dachten dat ze het goed verstopt hadden, hoog genoeg hadden weggezet. Maar nee, ik was nog slimmer en sterk en handig, want ik klom in de kast. De beloning was een snoepje. Een stiekem snoepje. Snel pakken en wegwezen. Het genot van een verboden snoepje. Wat een boost voor het zelfvertrouwen!

 

‘Mika’, zeg ik pedagogisch boos, ‘als je iets wilt dan vraag je erom. Het is niet de bedoeling dat je stiekem chocolaatjes of andere dingen pakt.’ ‘Ok, mam.’ Ondertussen spreek ik met mijzelf af, dat ik deze keer slimmer was. Maar als het hem lukt om slimmer te zijn dan ons, dan verdient hij het genot van het verboden chocolaatje. Dat gevoel wil ik hem niet ontnemen. Scherp blijven dus.